Blind- en slechtziendheid
Blindheid
Blindheid staat doorgaans voor de visuele handicap die een persoon weerhoudt van fysieke waarnemingen met het oog, de oogzenuw of van de perceptie van beeldsignalen in de hersenen. Deze functiebeperking kan zo goed als mogelijk gecompenseerd worden door gebruik te maken van een aantal hulpmiddelen als blindenstok, blindengeleidehond, braille, voorzieningen in een computer die tekst kan voorlezen, enz. De term nachtblindheid wordt gebruikt wanneer men bij daglicht wel, maar 's nachts slecht kan zien. Een tweede criterium is de grootte van het gezichtsveld waarmee iemand kan zien. Is dit resterende gezichtsveld met het beste oog kleiner dan 10 graden, normaal is 140 graden, dan is eveneens sprake van blindheid.
Het verschil tussen blind- en slechtziendheid is moeilijk uit te leggen. Internationaal bestaat hierover ook nog steeds geen overeenstemming. Voor de definitie van blindheid wordt in Nederland de definitie van de World Health Organization aangehouden: Iemand is blind als het beste oog minder scherp kan zien dan 0.05: normaal zien wij 1.0. Vaak wordt de gezichtscherpte ook wel visus genoemd.
Slechtziendheid
Slechtziend is iemand die geen normaal zicht meer heeft, maar nog wel enige vorm van lichtwaarneming heeft. Vaak wordt de gezichtscherpte, of visus, gebruikt om de mate van slechtziendheid aan te geven, hoewel dit strikt genomen niet helemaal correct is, omdat bij slechtziendheid ook andere aspecten van de visuele waarneming verslechterd kunnen zijn zonder dat de gezichtscherpte verlaagd is. Er is van slechtziendheid sprake bij een gezichtsscherpte kleiner dan 0.3, of bij een gezichtsveld van minder dan 30 graden.
De gezichtsscherpte of visus
De gezichtsscherpte of visus is een maat voor de kleinste details die iemand nog kan onderscheiden. Een oog wordt normaal genoemd als de visus 1.0 of hoger is. In dat geval hebben de kleinst waarneembare details een grootte van 1 boogminuut = 1 / 60 graad. Bij visus 0.0 is sprake van totale blindheid en alles daartussenin is feitelijk slechtziend. Als iemand een visus van 0.5 heeft moet die alles van 2x zo dichtbij bekijken om hetzelfde te kunnen zien. Heeft iemand een visus van 0.10 dan moet die persoon 10x zo dichtbij staan enzovoorts. De gezichtsscherpte wordt meestal gemeten met letterkaarten, symboolkaarten of plaatjes. Als er bij zeer lage visus geen echte getalswaarde meer aan te geven is dan wordt de gezichtscherpte ook wel aangeduid als 'het kunnen zien van handbewegingen op bijvoorbeeld 3 meter afstand' of 'het kunnen tellen van opgestoken vingers op bijv. 3 meter afstand'.
Visuele functies
Behalve gezichtscherpte kan iemand ook slechtziend raken doordat delen van het gezichtsveld uitgevallen zijn, of doordat de twee ogen niet goed samenwerken of doordat die persoon als gevolg van een oogziekte overmatig gevoelig is voor licht. Daarnaast kan het ook gebeuren dat iemand slechtziend wordt als gevolg van een storing in dat deel van de hersenen die de visuele waarneming verzorgen, bijvoorbeeld bij een herseninfarct of -bloeding in de occipitale schors. Vaak wordt de visuele waarneming opgedeeld in meetbare delen, zogenaamd visuele functies. Voorbeelden van visuele functies zijn: gezichtsscherpte, gezichtsveld, stereoscopisch dieptezien, kleuren zien, oogmotoriek, licht-donkeradaptatie.
